Het gezegde kan werkwoordelijk of naamwoordelijk zijn.
In dit artikel wordt het werkwoordelijk gezegde (wwg) uitgelegd.
Het werkwoordelijk gezegde bestaat alleen maar uit werkwoorden.
Het werkwoordelijk gezegde (wwg).
|
- Zoek de persoonsvorm (pv).
- Zoek het onderwerp (o).
- Zoek het gezegde (gez): werkwoordelijk / naamwoordelijk
|
Als je het gezegde in de zin hebt gevonden, dan kun je bepalen of het een werkwoordelijk gezegde
is of een naamwoordelijk gezegde. Het werkwoordelijk gezegde bestaat alleen maar uit werkwoorden.
Het bestaat uit de persoonsvorm en/of meer andere werkwoorden.
Werkwoordelijk gezegde (wwg).
|
Zin |
|
Werkwoordelijk gez. |
Kim zou het boek gelezen hebben. |
→ |
zou gelezen hebben |
Kim zou het boek gelezen hebben.
→ Werkwoordelijk gezegde: zou gelezen hebben
In het voorbeeld zie je dat het gezegde alleen uit werkwoorden bestaat.
De persoonsvorm is zou. De woorden gelezen en hebben zijn ook werkwoorden.
* |
|
Als er voor een werkwoord te of aan het staat hoort dat bij het gezegde! |
Voorbeeld
Zin |
|
Werkwoordelijk gezegde |
Hij staat daar te huilen. |
→ |
staat te huilen |
Toos is aan het tekenen. |
→ |
is aan het tekenen |
Hij staat daar te huilen.
→ Werkwoordelijke gezegde: staat te huilen
Toos is aan het tekenen.
→ Werkwoordelijke gezegde: is aan het tekenen
Werkwoordelijk gezegde (wwg).
- Zoek eerst de persoonsvorm en het onderwerp.
- Zoek het gezegde.
- Bepaal of het een werkwoordelijk of naamwoordelijk gezegde is.
- Bestaat het gezegde alleen uit werkwoorden, dan is het een werkwoordelijk gezegde.